bijwoordelijk

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

  • (file)

Etymology[edit]

bijwoord 'adverb' + -elijk '-ly, '-ial'

Adjective[edit]

bijwoordelijk ‎(comparative bijwoordelijker, superlative bijwoordelijkst)

  1. adverbial (of or relating to an adverb)

Declension[edit]

Inflection of bijwoordelijk
uninflected bijwoordelijk
inflected bijwoordelijke
comparative bijwoordelijker
positive comparative superlative
predicative/adverbial bijwoordelijk bijwoordelijker het bijwoordelijkst
het bijwoordelijkste
indefinite m./f. sing. bijwoordelijke bijwoordelijkere bijwoordelijkste
n. sing. bijwoordelijk bijwoordelijker bijwoordelijkste
plural bijwoordelijke bijwoordelijkere bijwoordelijkste
definite bijwoordelijke bijwoordelijkere bijwoordelijkste
partitive bijwoordelijks bijwoordelijkers

Synonyms[edit]