christelijk

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From Christus +‎ -lijk.

Pronunciation[edit]

  • IPA(key): /ˈkrɪs.tə.lək/
  • (some orthodox Protestants) IPA(key): /ˈxrɪs.tə.lək/
  • (file)

Adjective[edit]

christelijk (comparative christelijker, superlative christelijkst)

  1. Christian
    Pasen is tegenwoordig een christelijke feestdag, maar oorspronkelijk niet.
    Easter is a Christian holiday nowadays, but not originally.
  2. (somewhat dated, except in set phrases) proper, appropriate, reasonable
    Als ik morgen nog op een christelijk tijdstip uit mijn bed wil kunnen komen, zou het misschien een goed idee zijn om deze keer niet tot zes uur 's morgens door te zuipen.
    If I want to be able to get out of bed at a reasonable time tomorrow, it might just be a good idea to not keep drinking until six in the morning this time.

Inflection[edit]

Inflection of christelijk
uninflected christelijk
inflected christelijke
comparative christelijker
positive comparative superlative
predicative/adverbial christelijk christelijker het christelijkst
het christelijkste
indefinite m./f. sing. christelijke christelijkere christelijkste
n. sing. christelijk christelijker christelijkste
plural christelijke christelijkere christelijkste
definite christelijke christelijkere christelijkste
partitive christelijks christelijkers