doenlijk

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From doen +‎ -lijk.

Adjective[edit]

doenlijk (comparative doenlijker, superlative doenlijkst)

  1. doable, achievable, possible.

Inflection[edit]

Inflection of doenlijk
uninflected doenlijk
inflected doenlijke
comparative doenlijker
positive comparative superlative
predicative/adverbial doenlijk doenlijker het doenlijkst
het doenlijkste
indefinite m./f. sing. doenlijke doenlijkere doenlijkste
n. sing. doenlijk doenlijker doenlijkste
plural doenlijke doenlijkere doenlijkste
definite doenlijke doenlijkere doenlijkste
partitive doenlijks doenlijkers

Derived terms[edit]