fabriceren

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

Borrowing from Middle French fabriquer.

Verb[edit]

fabriceren

  1. (transitive) to manufacture

Inflection[edit]

Inflection of fabriceren (weak)
infinitive fabriceren
past singular fabriceerde
past participle gefabriceerd
infinitive fabriceren
gerund fabriceren n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular fabriceer fabriceerde
2nd person sing. (jij) fabriceert fabriceerde
2nd person sing. (u) fabriceert fabriceerde
2nd person sing. (gij) fabriceert fabriceerde
3rd person singular fabriceert fabriceerde
plural fabriceren fabriceerden
subjunctive sing.1 fabricere fabriceerde
subjunctive plur.1 fabriceren fabriceerden
imperative sing. fabriceer
imperative plur.1 fabriceert
participles fabricerend gefabriceerd
1) Archaic.

Related terms[edit]