natuurlijk

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

natuur +‎ -lijk

Adverb[edit]

natuurlijk

  1. of course!
  2. naturally

Synonyms[edit]

Adjective[edit]

natuurlijk ‎(comparative natuurlijker, superlative natuurlijkst)

  1. natural

Inflection[edit]

Inflection of natuurlijk
uninflected natuurlijk
inflected natuurlijke
comparative natuurlijker
positive comparative superlative
predicative/adverbial natuurlijk natuurlijker het natuurlijkst
het natuurlijkste
indefinite m./f. sing. natuurlijke natuurlijkere natuurlijkste
n. sing. natuurlijk natuurlijker natuurlijkste
plural natuurlijke natuurlijkere natuurlijkste
definite natuurlijke natuurlijkere natuurlijkste
partitive natuurlijks natuurlijkers

Antonyms[edit]

Derived terms[edit]