ongelijk

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology 1[edit]

From Old Dutch ungilīk, from Proto-Germanic *ungalīkaz; surface analysis: on- (un-) +‎ gelijk (equal). Compare Old English unġelīċ (English unlike), German ungleich, Old Norse úlíkr (see there for North Germanic descendants).

Adjective[edit]

ongelijk (comparative ongelijker, superlative ongelijkst)

  1. unequal, different
  2. uneven, rough, bumpy
Inflection[edit]
Inflection of ongelijk
uninflected ongelijk
inflected ongelijke
comparative ongelijker
positive comparative superlative
predicative/adverbial ongelijk ongelijker het ongelijkst
het ongelijkste
indefinite m./f. sing. ongelijke ongelijkere ongelijkste
n. sing. ongelijk ongelijker ongelijkste
plural ongelijke ongelijkere ongelijkste
definite ongelijke ongelijkere ongelijkste
partitive ongelijks ongelijkers

Etymology 2[edit]

From on- (un-) +‎ gelijk (rightness).

Noun[edit]

ongelijk n (uncountable)

  1. wrongness
    Je hebt ongelijk.
    You are wrong.