gelijk

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to navigation Jump to search
See also: gelijk-

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

  • (file)
  • Rhymes: -ɛi̯k
  • IPA(key): /ɣəˈlɛik/

Etymology[edit]

From Middle Dutch gelijc, from Old Dutch gilīk, from Proto-West Germanic *galīk, from Proto-Germanic *galīkaz.

Adjective[edit]

gelijk (comparative gelijker, superlative gelijkst)

  1. equal, like, alike
    Het is me gelijk.
    It's all the same to me.
    Iedereen wordt in gelijke gevallen gelijk behandeld.
    Everyone is treated equally in equal situations.
    Antonym: tegengesteld
  2. (pertaining to rank, value, worth etc.) equal, equivalent
    Iedereen is gelijk voor de wet.
    Everybody is equal before the law.
    Antonym: tegengesteld
Inflection[edit]
Inflection of gelijk
uninflected gelijk
inflected gelijke
comparative gelijker
positive comparative superlative
predicative/adverbial gelijk gelijker het gelijkst
het gelijkste
indefinite m./f. sing. gelijke gelijkere gelijkste
n. sing. gelijk gelijker gelijkste
plural gelijke gelijkere gelijkste
definite gelijke gelijkere gelijkste
partitive gelijks gelijkers
Derived terms[edit]
Descendants[edit]
  • Afrikaans: gelyk
  • Berbice Creole Dutch: gliki
  • Negerhollands: gliek, liek, leik, leiki, liki, lek, li, glik

Etymology 2[edit]

From Middle Dutch gelike, from Old Dutch *gilīko, from Proto-West Germanic *galīkō, from Proto-Germanic *galīkô.

Adverb[edit]

gelijk

  1. immediately, at once
    Synonyms: dadelijk, meteen

Conjunction[edit]

gelijk

  1. (Belgium) like, such as
    landen gelijk Engeland en Frankrijk
    countries like England and France
    Synonym: zoals
  2. (Belgium) as, just like, just as, the way that
    Juist gelijk dat?
    Just like that?
    Het is gelijk ge wilt.
    It is as you wish.
    Synonym: zoals

Etymology 3[edit]

From Middle Dutch gelike, gelijc, from Old Dutch *gilīki, from Proto-West Germanic *galīkī, from Proto-Germanic *galīkiją.

Noun[edit]

gelijk n (uncountable)

  1. right, justice
    Hij is zeker van zijn gelijk.
    He is convinced that he is right.
  2. correctness
    Je hebt gelijk.
    You are correct.
Derived terms[edit]

Etymology 4[edit]

See the etymology of the corresponding lemma form.

Verb[edit]

gelijk

  1. first-person singular present indicative of gelijken
  2. imperative of gelijken