onophoudelijk

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From on- +‎ ophouden +‎ -lijk.

Pronunciation[edit]

Adjective[edit]

onophoudelijk ‎(comparative onophoudelijker, superlative onophoudelijkst)

  1. continuous, unceasing

Declension[edit]

Inflection of onophoudelijk
uninflected onophoudelijk
inflected onophoudelijke
comparative onophoudelijker
positive comparative superlative
predicative/adverbial onophoudelijk onophoudelijker het onophoudelijkst
het onophoudelijkste
indefinite m./f. sing. onophoudelijke onophoudelijkere onophoudelijkste
n. sing. onophoudelijk onophoudelijker onophoudelijkste
plural onophoudelijke onophoudelijkere onophoudelijkste
definite onophoudelijke onophoudelijkere onophoudelijkste
partitive onophoudelijks onophoudelijkers