opspannen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From op +‎ spannen.

Verb[edit]

opspannen

  1. to tense (make or become tense)

Inflection[edit]

Inflection of opspannen (weak with strong past participle, separable)
infinitive opspannen
past singular spande op
past participle opgespannen
infinitive opspannen
gerund opspannen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular span op spande op opspan opspande
2nd person sing. (jij) spant op spande op opspant opspande
2nd person sing. (u) spant op spande op opspant opspande
2nd person sing. (gij) spant op spande op opspant opspande
3rd person singular spant op spande op opspant opspande
plural spannen op spanden op opspannen opspanden
subjunctive sing.1 spanne op spande op opspanne opspande
subjunctive plur.1 spannen op spanden op opspannen opspanden
imperative sing. span op
imperative plur.1 spant op
participles opspannend opgespannen
1) Archaic.

Anagrams[edit]