tegenwerken

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From tegen +‎ werken

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

tegenwerken ‎(past singular werkte tegen, past participle tegengewerkt)

  1. to counter, to work in opposition to
  2. to struggle, to be stubborn

Conjugation[edit]

Inflection of tegenwerken (weak, separable)
infinitive tegenwerken
past singular werkte tegen
past participle tegengewerkt
infinitive tegenwerken
gerund tegenwerken n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular werk tegen werkte tegen tegenwerk tegenwerkte
2nd person sing. (jij) werkt tegen werkte tegen tegenwerkt tegenwerkte
2nd person sing. (u) werkt tegen werkte tegen tegenwerkt tegenwerkte
2nd person sing. (gij) werkt tegen werkte tegen tegenwerkt tegenwerkte
3rd person singular werkt tegen werkte tegen tegenwerkt tegenwerkte
plural werken tegen werkten tegen tegenwerken tegenwerkten
subjunctive sing.1 werke tegen werkte tegen tegenwerke tegenwerkte
subjunctive plur.1 werken tegen werkten tegen tegenwerken tegenwerkten
imperative sing. werk tegen
imperative plur.1 werkt tegen
participles tegenwerkend tegengewerkt
1) Archaic.

Antonyms[edit]

Anagrams[edit]