meewerken

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

mee +‎ werken

Verb[edit]

meewerken

  1. to cooperate

Inflection[edit]

Inflection of meewerken (weak, separable)
infinitive meewerken
past singular werkte mee
past participle meegewerkt
infinitive meewerken
gerund meewerken n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular werk mee werkte mee meewerk meewerkte
2nd person sing. (jij) werkt mee werkte mee meewerkt meewerkte
2nd person sing. (u) werkt mee werkte mee meewerkt meewerkte
2nd person sing. (gij) werkt mee werkte mee meewerkt meewerkte
3rd person singular werkt mee werkte mee meewerkt meewerkte
plural werken mee werkten mee meewerken meewerkten
subjunctive sing.1 werke mee werkte mee meewerke meewerkte
subjunctive plur.1 werken mee werkten mee meewerken meewerkten
imperative sing. werk mee
imperative plur.1 werkt mee
participles meewerkend meegewerkt
1) Archaic.

Antonyms[edit]

Related terms[edit]

Anagrams[edit]