terugbrengen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

  • (file)

Etymology[edit]

terug +‎ brengen

Verb[edit]

terugbrengen

  1. to return
  2. to reduce

Inflection[edit]

Inflection of terugbrengen (weak with past in -cht, separable)
infinitive terugbrengen
past singular bracht terug
past participle teruggebracht
infinitive terugbrengen
gerund terugbrengen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular breng terug bracht terug terugbreng terugbracht
2nd person sing. (jij) brengt terug bracht terug terugbrengt terugbracht
2nd person sing. (u) brengt terug bracht terug terugbrengt terugbracht
2nd person sing. (gij) brengt terug bracht terug terugbrengt terugbracht
3rd person singular brengt terug bracht terug terugbrengt terugbracht
plural brengen terug brachten terug terugbrengen terugbrachten
subjunctive sing.1 brenge terug brachte terug terugbrenge terugbrachte
subjunctive plur.1 brengen terug brachten terug terugbrengen terugbrachten
imperative sing. breng terug
imperative plur.1 brengt terug
participles terugbrengend teruggebracht
1) Archaic.

Anagrams[edit]