uitdijen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

uitdijen

  1. to expand

Inflection[edit]

Inflection of uitdijen (weak, separable)
infinitive uitdijen
past singular dijde uit
past participle uitgedijd
infinitive uitdijen
gerund uitdijen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular dij uit dijde uit uitdij uitdijde
2nd person sing. (jij) dijt uit dijde uit uitdijt uitdijde
2nd person sing. (u) dijt uit dijde uit uitdijt uitdijde
2nd person sing. (gij) dijt uit dijde uit uitdijt uitdijde
3rd person singular dijt uit dijde uit uitdijt uitdijde
plural dijen uit dijden uit uitdijen uitdijden
subjunctive sing.1 dije uit dijde uit uitdije uitdijde
subjunctive plur.1 dijen uit dijden uit uitdijen uitdijden
imperative sing. dij uit
imperative plur.1 dijt uit
participles uitdijend uitgedijd
1) Archaic.

Anagrams[edit]