uitdragen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

uit +‎ dragen

Verb[edit]

uitdragen

  1. to disseminate

Inflection[edit]

Inflection of uitdragen (strong class 6, separable)
infinitive uitdragen
past singular droeg uit
past participle uitgedragen
infinitive uitdragen
gerund uitdragen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular draag uit droeg uit uitdraag uitdroeg
2nd person sing. (jij) draagt uit droeg uit uitdraagt uitdroeg
2nd person sing. (u) draagt uit droeg uit uitdraagt uitdroeg
2nd person sing. (gij) draagt uit droegt uit uitdraagt uitdroegt
3rd person singular draagt uit droeg uit uitdraagt uitdroeg
plural dragen uit droegen uit uitdragen uitdroegen
subjunctive sing.1 drage uit droege uit uitdrage uitdroege
subjunctive plur.1 dragen uit droegen uit uitdragen uitdroegen
imperative sing. draag uit
imperative plur.1 draagt uit
participles uitdragend uitgedragen
1) Archaic.

Anagrams[edit]