voorzijn

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From voor +‎ zijn.

Verb[edit]

voorzijn

  1. (transitive) to precede, to get to a place before (someone else)

Inflection[edit]

Inflection of voorzijn (irregular, suppletive, separable)
infinitive voorzijn
past singular was voor
past participle voorgeweest
infinitive voorzijn
gerund voorzijn n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular ben voor was voor voorben voorwas
2nd person sing. (jij) bent voor was voor voorbent voorwas
2nd person sing. (u) bent voor, is voor was voor voorbent, vooris voorwas
2nd person sing. (gij) zijt voor waart voor voorzijt voorwaart
3rd person singular is voor was voor vooris voorwas
plural zijn voor waren voor voorzijn voorwaren
subjunctive sing.1 zij voor ware voor voorzij voorware
subjunctive plur.1 zijn voor waren voor voorzijn voorwaren
imperative sing. wees voor, ben voor
imperative plur.1 weest voor, zijt voor
participles voorzijnd voorgeweest
1) Archaic.

Anagrams[edit]