wantrouwend

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

wan- +‎ trouwend

Pronunciation[edit]

Adjective[edit]

wantrouwend ‎(comparative wantrouwender, superlative wantrouwendst)

  1. suspicious

Declension[edit]

Inflection of wantrouwend
uninflected wantrouwend
inflected wantrouwende
comparative wantrouwender
positive comparative superlative
predicative/adverbial wantrouwend wantrouwender het wantrouwendst
het wantrouwendste
indefinite m./f. sing. wantrouwende wantrouwendere wantrouwendste
n. sing. wantrouwend wantrouwender wantrouwendste
plural wantrouwende wantrouwendere wantrouwendste
definite wantrouwende wantrouwendere wantrouwendste
partitive wantrouwends wantrouwenders

Participle[edit]

wantrouwend

  1. present participle of wantrouwen

Declension[edit]

Inflection of wantrouwend
uninflected wantrouwend
inflected wantrouwende
comparative
positive
predicative/adverbial wantrouwend
wantrouwende
indefinite m./f. sing. wantrouwende
n. sing. wantrouwend
plural wantrouwende
definite wantrouwende
partitive wantrouwends

Anagrams[edit]