wegwerken

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

wegwerken

  1. to eliminate, get rid of

Inflection[edit]

Inflection of wegwerken (weak, separable)
infinitive wegwerken
past singular werkte weg
past participle weggewerkt
infinitive wegwerken
gerund wegwerken n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular werk weg werkte weg wegwerk wegwerkte
2nd person sing. (jij) werkt weg werkte weg wegwerkt wegwerkte
2nd person sing. (u) werkt weg werkte weg wegwerkt wegwerkte
2nd person sing. (gij) werkt weg werkte weg wegwerkt wegwerkte
3rd person singular werkt weg werkte weg wegwerkt wegwerkte
plural werken weg werkten weg wegwerken wegwerkten
subjunctive sing.1 werke weg werkte weg wegwerke wegwerkte
subjunctive plur.1 werken weg werkten weg wegwerken wegwerkten
imperative sing. werk weg
imperative plur.1 werkt weg
participles wegwerkend weggewerkt
1) Archaic.

Related terms[edit]

Anagrams[edit]