zindelijk

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From older zinnelijk, from Middle Dutch sinnelijc, sinlijc.

Pronunciation[edit]

Adjective[edit]

zindelijk ‎(comparative zindelijker, superlative zindelijkst)

  1. clean, tidy
  2. housebroken

Declension[edit]

Inflection of zindelijk
uninflected zindelijk
inflected zindelijke
comparative zindelijker
positive comparative superlative
predicative/adverbial zindelijk zindelijker het zindelijkst
het zindelijkste
indefinite m./f. sing. zindelijke zindelijkere zindelijkste
n. sing. zindelijk zindelijker zindelijkste
plural zindelijke zindelijkere zindelijkste
definite zindelijke zindelijkere zindelijkste
partitive zindelijks zindelijkers

Derived terms[edit]