aanliggen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

aanliggen (past singular lag aan, past participle aangelegen)

  1. To lie or stand against something else.
    De groene blaadjes die tegen deze bloemhoofdjes aanliggen zijn dan ook geen kelkbladen maar omwindselblaadjes.
  2. (navigation) To be on course.

Conjugation[edit]

Anagrams[edit]