Joost

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Dutch Wikipedia has an article on:
Wikipedia nl

Pronunciation[edit]

Etymology 1[edit]

From earlier Joos, from Medieval Latin Iodocus, Iudocus, from Old Breton Iodoc. Cognate with English Joyce.

Proper noun[edit]

Joost m

  1. A male given name.

Etymology 2[edit]

From earlier Joos, probably from Javanese dejos, from Portuguese deus.

Proper noun[edit]

Joost m

  1. (archaic, no longer commonly used outside of the phrase ‘Joost mag het weten) Satan, the Devil
    • 1869, Oswald Hancke, Vermakelijke Liefdes Geschiedenissen, tr. by J. P. Coentz, in J. Speijer Klerk & A. J. le Gras (ed.), Romantische Bibliotheek. Lectuur voor alle standen, vol. 7, H. van Duijl (publ.), page 42.
      Joost moge den teergevoeligen minnaar halen! viel de luitenant lachend in.
    • 1902, Maurits Esser (as Gerard van Eckeren), Studies, Veldt, page 193.
      Het bruggewachtertje vloog er op af, knorde van genoegen : „Joost komp je hale.... Joost komp je hale....” kreunde hij zacht-plezierigjes voor zich heen.
    • 1905, De nieuwe tijd, volume 10, page 425:
      Waaruit of dat schijnt, mag Joost weten.
    • 2009, B. van Ruyten, Zwarte vrijdag. Fantastische streekvertelling uit de Hoeksche Waard, page 106:
      Wat hij daar doet – Joost mag het weten dominee.
    • 2016, Jacques Vriens, Mei-Lan en het geheim van snackbar De Belg, Unieboek | Het Spectrum.
      ‘En waarin betovert Stekeltee je zusje?’ vraagt Max. ‘Hij maakt een Joos van haar,’ antwoordt Mei-Lan. ‘Een Joos?’ ‘Dat is het Chinese woord voor duivel. Dan krijg je hoorntjes en puntige tanden en griezelige priemogen. We hebben thuis een beeldje van een Joos en dat vindt Fen-Fang doodeng.’
Derived terms[edit]