aangorden

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From aan +‎ gorden.

Verb[edit]

aangorden

  1. (reflexive) to bestir oneself

Inflection[edit]

Inflection of aangorden (weak, separable)
infinitive aangorden
past singular gordde aan
past participle aangegord
infinitive aangorden
gerund aangorden n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular gord aan gordde aan aangord aangordde
2nd person sing. (jij) gordt aan gordde aan aangordt aangordde
2nd person sing. (u) gordt aan gordde aan aangordt aangordde
2nd person sing. (gij) gordt aan gordde aan aangordt aangordde
3rd person singular gordt aan gordde aan aangordt aangordde
plural gorden aan gordden aan aangorden aangordden
subjunctive sing.1 gorde aan gordde aan aangorde aangordde
subjunctive plur.1 gorden aan gordden aan aangorden aangordden
imperative sing. gord aan
imperative plur.1 gordt aan
participles aangordend aangegord
1) Archaic.