benaaien

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to navigation Jump to search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From be- +‎ naaien.

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

benaaien

  1. (transitive) to sew onto
    Zij heeft haar rugzak met allerlij lapjes benaaid.
    She has sewn all kinds of patches onto her backpack.

Inflection[edit]

Inflection of benaaien (weak, prefixed)
infinitive benaaien
past singular benaaide
past participle benaaid
infinitive benaaien
gerund benaaien n
present tense past tense
1st person singular benaai benaaide
2nd person sing. (jij) benaait benaaide
2nd person sing. (u) benaait benaaide
2nd person sing. (gij) benaait benaaide
3rd person singular benaait benaaide
plural benaaien benaaiden
subjunctive sing.1 benaaie benaaide
subjunctive plur.1 benaaien benaaiden
imperative sing. benaai
imperative plur.1 benaait
participles benaaiend benaaid
1) Archaic.