bewoonbaar

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

bewonen ‎(to inhabit) +‎ -baar

Pronunciation[edit]

  • North: IPA(key): /bəˈʋoːnbaːr/
  • South: IPA(key): /bəˈβ̞oːnbaːr/
  • (file)

Adjective[edit]

bewoonbaar ‎(comparative bewoonbaarder, superlative bewoonbaarst)

  1. habitable, fit for inhabitation, where humans or other animals can live (or fairly comfortably)

Declension[edit]

Inflection of bewoonbaar
uninflected bewoonbaar
inflected bewoonbare
comparative bewoonbaarder
positive comparative superlative
predicative/adverbial bewoonbaar bewoonbaarder het bewoonbaarst
het bewoonbaarste
indefinite m./f. sing. bewoonbare bewoonbaardere bewoonbaarste
n. sing. bewoonbaar bewoonbaarder bewoonbaarste
plural bewoonbare bewoonbaardere bewoonbaarste
definite bewoonbare bewoonbaardere bewoonbaarste
partitive bewoonbaars bewoonbaarders

Antonyms[edit]

Derived terms[edit]

Related terms[edit]