bewonen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to navigation Jump to search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From Middle Dutch bewonen. Equivalent to be- +‎ wonen.

Pronunciation[edit]

  • IPA(key): /bəˈʋoːnə(n)/
  • (file)
  • Rhymes: -oːnən

Verb[edit]

bewonen

  1. (transitive) to live in, to inhabit

Inflection[edit]

Inflection of bewonen (weak, prefixed)
infinitive bewonen
past singular bewoonde
past participle bewoond
infinitive bewonen
gerund bewonen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular bewoon bewoonde
2nd person sing. (jij) bewoont bewoonde
2nd person sing. (u) bewoont bewoonde
2nd person sing. (gij) bewoont bewoonde
3rd person singular bewoont bewoonde
plural bewonen bewoonden
subjunctive sing.1 bewone bewoonde
subjunctive plur.1 bewonen bewoonden
imperative sing. bewoon
imperative plur.1 bewoont
participles bewonend bewoond
1) Archaic.

Derived terms[edit]