eigenaardig

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From eigen (own) +‎ aard (nature, character, disposition) +‎ -ig (adjectival suffix): having a nature of its own.

Pronunciation[edit]

Adjective[edit]

eigenaardig (comparative eigenaardiger, superlative eigenaardigst)

  1. idiosyncratic, peculiar

Inflection[edit]

Inflection of eigenaardig
uninflected eigenaardig
inflected eigenaardige
comparative eigenaardiger
positive comparative superlative
predicative/adverbial eigenaardig eigenaardiger het eigenaardigst
het eigenaardigste
indefinite m./f. sing. eigenaardige eigenaardigere eigenaardigste
n. sing. eigenaardig eigenaardiger eigenaardigste
plural eigenaardige eigenaardigere eigenaardigste
definite eigenaardige eigenaardigere eigenaardigste
partitive eigenaardigs eigenaardigers

Derived terms[edit]