emfatisch

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to navigation Jump to search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

Probably borrowed. Equivalent to emfase +‎ -isch.

Pronunciation[edit]

  • IPA(key): /ˌɛmˈfaː.tis/
  • (file)
  • Hyphenation: em‧fa‧tisch
  • Rhymes: -aːtis

Adjective[edit]

emfatisch (comparative emfatischer, superlative meest emfatisch)

  1. emphatic (characterised by emphasis)
    De grammaticus stelde voor om de variant op te vatten als een emfatische vorm, wat er op neer kwam dat hij ook niet het flauwste benul had wat het nu eigenlijk is.
    The grammarian suggested to interpret the variant as an emphatic form, which boiled down to the fact that he also did not have the foggiest idea what it actually is.
    Synonym: nadrukkelijk
  2. (phonology) emphatic (of or pertaining to a series of obstruent consonants in several Semitic languages, are distinguished from both voiced and voiceless consonants by a certain phonetic feature or features, either pharyngealised or ejective)
    De emfatische medeklinkers vonden de leerlingen bijzonder lastig om uit te spreken.
    The pupils thought that the emphatic consonants were particularly difficult to pronounce.

Inflection[edit]

Inflection of emfatisch
uninflected emfatisch
inflected emfatische
comparative emfatischer
positive comparative superlative
predicative/adverbial emfatisch emfatischer het meest emfatisch
het meest emfatische
indefinite m./f. sing. emfatische emfatischere meest emfatische
n. sing. emfatisch emfatischer meest emfatische
plural emfatische emfatischere meest emfatische
definite emfatische emfatischere meest emfatische
partitive emfatisch emfatischers

Adverb[edit]

emfatisch

  1. emphatically

Synonyms[edit]