geweldig

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From Middle Dutch geweldich, from Old Dutch *giweldig, composed of giwald +‎ -ig. The base word descends from Proto-Germanic *gawaldiz. Synchronically equivalent to geweld +‎ -ig.

Pronunciation[edit]

Adjective[edit]

geweldig ‎(comparative geweldiger, superlative geweldigst)

  1. tremendous, great
  2. awesome, wonderful

Declension[edit]

Inflection of geweldig
uninflected geweldig
inflected geweldige
comparative geweldiger
positive comparative superlative
predicative/adverbial geweldig geweldiger het geweldigst
het geweldigste
indefinite m./f. sing. geweldige geweldigere geweldigste
n. sing. geweldig geweldiger geweldigste
plural geweldige geweldigere geweldigste
definite geweldige geweldigere geweldigste
partitive geweldigs geweldigers