insneeuwen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From in +‎ sneeuwen.

Verb[edit]

insneeuwen

  1. to snow in

Inflection[edit]

Inflection of insneeuwen (weak, separable)
infinitive insneeuwen
past singular sneeuwde in
past participle ingesneeuwd
infinitive insneeuwen
gerund insneeuwen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular sneeuw in sneeuwde in insneeuw insneeuwde
2nd person sing. (jij) sneeuwt in sneeuwde in insneeuwt insneeuwde
2nd person sing. (u) sneeuwt in sneeuwde in insneeuwt insneeuwde
2nd person sing. (gij) sneeuwt in sneeuwde in insneeuwt insneeuwde
3rd person singular sneeuwt in sneeuwde in insneeuwt insneeuwde
plural sneeuwen in sneeuwden in insneeuwen insneeuwden
subjunctive sing.1 sneeuwe in sneeuwde in insneeuwe insneeuwde
subjunctive plur.1 sneeuwen in sneeuwden in insneeuwen insneeuwden
imperative sing. sneeuw in
imperative plur.1 sneeuwt in
participles insneeuwend ingesneeuwd
1) Archaic.

Derived terms[edit]