sneeuwen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology 1[edit]

From Middle Dutch sneuen, snuen.

Verb[edit]

sneeuwen

  1. to snow
Inflection[edit]
Inflection of sneeuwen (weak)
infinitive sneeuwen
past singular sneeuwde
past participle gesneeuwd
infinitive sneeuwen
gerund sneeuwen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular sneeuw sneeuwde
2nd person sing. (jij) sneeuwt sneeuwde
2nd person sing. (u) sneeuwt sneeuwde
2nd person sing. (gij) sneeuwt sneeuwde
3rd person singular sneeuwt sneeuwde
plural sneeuwen sneeuwden
subjunctive sing.1 sneeuwe sneeuwde
subjunctive plur.1 sneeuwen sneeuwden
imperative sing. sneeuw
imperative plur.1 sneeuwt
participles sneeuwend gesneeuwd
1) Archaic.

Etymology 2[edit]

From sneeuw (snow) +‎ -en (suffix for material adjective).

Adjective[edit]

sneeuwen (not comparable)

  1. snowy, consisting of snow
    De schuilplaats had een sneeuwen dak.
    The shelter had a roof of snow.
  2. snow white, being the colour of snow