oever

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search
See also: över and över-

Dutch[edit]

Dutch Wikipedia has an article on:
Wikipedia nl

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From Middle Dutch oever, from Old Dutch *uovar, from Proto-Germanic *ōferaz.

Noun[edit]

oever m (plural oevers, diminutive oevertje n)

  1. bank (as in riverbank), shore (e.g. of a lake)
    • 2005, Spinvis, Dagen van gras, dagen van stro: Aan de Oevers van de Tijd
      aan de oevers van de tijd / keek ik om me heen / ik wachtte aan de kant / aan de oevers van de tijd / en alles ging voorbij / verloor zijn naam / en spoelde aan
      at the shores of time / I looked around me / I waited on the side / at the shores of time / and all went past / lost its name / and drifted ashore

See also[edit]

Anagrams[edit]


Middle Dutch[edit]

Etymology[edit]

From Old Dutch *uovar, from Proto-Germanic *ōferaz.

Noun[edit]

oever m, n

  1. bank, shore, waterside

Inflection[edit]

This noun needs an inflection-table template.

Descendants[edit]

Further reading[edit]

  • oever”, in Vroegmiddelnederlands Woordenboek, 2000
  • oever (I)”, in Middelnederlandsch Woordenboek, 1929