opstellen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

EB1911 - Volume 01 - Page 001 - 1.svg This entry lacks etymological information. If you are familiar with the origin of this term, please add it to the page as described here.

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

opstellen (past singular stelde op, past participle opgesteld)

  1. to arrange, line up
  2. to formulate

Conjugation[edit]

Inflection of opstellen (weak, separable)
infinitive opstellen
past singular stelde op
past participle opgesteld
infinitive opstellen
gerund opstellen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular stel op stelde op opstel opstelde
2nd person sing. (jij) stelt op stelde op opstelt opstelde
2nd person sing. (u) stelt op stelde op opstelt opstelde
2nd person sing. (gij) stelt op stelde op opstelt opstelde
3rd person singular stelt op stelde op opstelt opstelde
plural stellen op stelden op opstellen opstelden
subjunctive sing.1 stelle op stelde op opstelle opstelde
subjunctive plur.1 stellen op stelden op opstellen opstelden
imperative sing. stel op
imperative plur.1 stelt op
participles opstellend opgesteld
1) Archaic.

Anagrams[edit]