raadplegen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

raad +‎ plegen

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

raadplegen ‎(past singular raadpleegde, past participle geraadpleegd)

  1. to consult

Conjugation[edit]

Inflection of raadplegen (weak)
infinitive raadplegen
past singular raadpleegde
past participle geraadpleegd
infinitive raadplegen
gerund raadplegen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular raadpleeg raadpleegde
2nd person sing. (jij) raadpleegt raadpleegde
2nd person sing. (u) raadpleegt raadpleegde
2nd person sing. (gij) raadpleegt raadpleegde
3rd person singular raadpleegt raadpleegde
plural raadplegen raadpleegden
subjunctive sing.1 raadplege raadpleegde
subjunctive plur.1 raadplegen raadpleegden
imperative sing. raadpleeg
imperative plur.1 raadpleegt
participles raadplegend geraadpleegd
1) Archaic.