schielijk

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to navigation Jump to search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From Middle Dutch schelike, schielike, from scien, schien (to occur).

Pronunciation[edit]

  • IPA(key): /ˈsxi.lək/
  • (file)
  • Hyphenation: schie‧lijk

Adjective[edit]

schielijk (comparative schielijker, superlative schielijkst)

  1. (dated) swift, quick
  2. (dated, Southern Netherlands) abrupt, sudden

Inflection[edit]

Inflection of schielijk
uninflected schielijk
inflected schielijke
comparative schielijker
positive comparative superlative
predicative/adverbial schielijk schielijker het schielijkst
het schielijkste
indefinite m./f. sing. schielijke schielijkere schielijkste
n. sing. schielijk schielijker schielijkste
plural schielijke schielijkere schielijkste
definite schielijke schielijkere schielijkste
partitive schielijks schielijkers

Descendants[edit]