schoonmaken

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

Root of schoon (clean) + maken (to make)

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

schoonmaken

  1. to clean
    Vandaag maakt Stefan zijn huis schoon.
    Today, Stefan is cleaning his house.

Inflection[edit]

Inflection of schoonmaken (weak, separable)
infinitive schoonmaken
past singular maakte schoon
past participle schoongemaakt
infinitive schoonmaken
gerund schoonmaken n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular maak schoon maakte schoon schoonmaak schoonmaakte
2nd person sing. (jij) maakt schoon maakte schoon schoonmaakt schoonmaakte
2nd person sing. (u) maakt schoon maakte schoon schoonmaakt schoonmaakte
2nd person sing. (gij) maakt schoon maakte schoon schoonmaakt schoonmaakte
3rd person singular maakt schoon maakte schoon schoonmaakt schoonmaakte
plural maken schoon maakten schoon schoonmaken schoonmaakten
subjunctive sing.1 make schoon maakte schoon schoonmake schoonmaakte
subjunctive plur.1 maken schoon maakten schoon schoonmaken schoonmaakten
imperative sing. maak schoon
imperative plur.1 maakt schoon
participles schoonmakend schoongemaakt
1) Archaic.

Derived terms[edit]

Anagrams[edit]