thuisbezorgen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

thuis +‎ bezorgen

Verb[edit]

thuisbezorgen

  1. to deliver (e.g. ordered food) to someone's home

Inflection[edit]

Inflection of thuisbezorgen (weak, prefixed, separable)
infinitive thuisbezorgen
past singular bezorgde thuis
past participle thuisbezorgd
infinitive thuisbezorgen
gerund thuisbezorgen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular bezorg thuis bezorgde thuis thuisbezorg thuisbezorgde
2nd person sing. (jij) bezorgt thuis bezorgde thuis thuisbezorgt thuisbezorgde
2nd person sing. (u) bezorgt thuis bezorgde thuis thuisbezorgt thuisbezorgde
2nd person sing. (gij) bezorgt thuis bezorgde thuis thuisbezorgt thuisbezorgde
3rd person singular bezorgt thuis bezorgde thuis thuisbezorgt thuisbezorgde
plural bezorgen thuis bezorgden thuis thuisbezorgen thuisbezorgden
subjunctive sing.1 bezorge thuis bezorgde thuis thuisbezorge thuisbezorgde
subjunctive plur.1 bezorgen thuis bezorgden thuis thuisbezorgen thuisbezorgden
imperative sing. bezorg thuis
imperative plur.1 bezorgt thuis
participles thuisbezorgend thuisbezorgd
1) Archaic.

Anagrams[edit]