toebrengen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

toe +‎ brengen

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

toebrengen ‎(past singular bracht toe, past participle toegebracht)

  1. to inflict
    Desondanks konden regelmatig kapers de blokkade omzeilen en schade toebrengen aan de scheepvaart van de Republiek.[1] — Nevertheless, privateers could regularly sail around the blockade and inflict damage to the navigation of the Republic.

Conjugation[edit]

Inflection of toebrengen (weak with past in -cht, separable)
infinitive toebrengen
past singular bracht toe
past participle toegebracht
infinitive toebrengen
gerund toebrengen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular breng toe bracht toe toebreng toebracht
2nd person sing. (jij) brengt toe bracht toe toebrengt toebracht
2nd person sing. (u) brengt toe bracht toe toebrengt toebracht
2nd person sing. (gij) brengt toe bracht toe toebrengt toebracht
3rd person singular brengt toe bracht toe toebrengt toebracht
plural brengen toe brachten toe toebrengen toebrachten
subjunctive sing.1 brenge toe brachte toe toebrenge toebrachte
subjunctive plur.1 brengen toe brachten toe toebrengen toebrachten
imperative sing. breng toe
imperative plur.1 brengt toe
participles toebrengend toegebracht
1) Archaic.

Anagrams[edit]