verzadigen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

verzadigen

  1. to saturate
  2. to satisfy

Inflection[edit]

Inflection of verzadigen (weak, prefixed)
infinitive verzadigen
past singular verzadigde
past participle verzadigd
infinitive verzadigen
gerund verzadigen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular verzadig verzadigde
2nd person sing. (jij) verzadigt verzadigde
2nd person sing. (u) verzadigt verzadigde
2nd person sing. (gij) verzadigt verzadigde
3rd person singular verzadigt verzadigde
plural verzadigen verzadigden
subjunctive sing.1 verzadige verzadigde
subjunctive plur.1 verzadigen verzadigden
imperative sing. verzadig
imperative plur.1 verzadigt
participles verzadigend verzadigd
1) Archaic.

Related terms[edit]