vrijmaken

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

vrij +‎ maken

Verb[edit]

vrijmaken

  1. to set free

Inflection[edit]

Inflection of vrijmaken (weak, separable)
infinitive vrijmaken
past singular maakte vrij
past participle vrijgemaakt
infinitive vrijmaken
gerund vrijmaken n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular maak vrij maakte vrij vrijmaak vrijmaakte
2nd person sing. (jij) maakt vrij maakte vrij vrijmaakt vrijmaakte
2nd person sing. (u) maakt vrij maakte vrij vrijmaakt vrijmaakte
2nd person sing. (gij) maakt vrij maakte vrij vrijmaakt vrijmaakte
3rd person singular maakt vrij maakte vrij vrijmaakt vrijmaakte
plural maken vrij maakten vrij vrijmaken vrijmaakten
subjunctive sing.1 make vrij maakte vrij vrijmake vrijmaakte
subjunctive plur.1 maken vrij maakten vrij vrijmaken vrijmaakten
imperative sing. maak vrij
imperative plur.1 maakt vrij
participles vrijmakend vrijgemaakt
1) Archaic.