zelfzeker

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From zelf-(self-) +‎ zeker(certain), calque of German selbstsicher(confident).

Adjective[edit]

zelfzeker ‎(comparative zelfzekerder, superlative zelfzekerst)

  1. confident

Inflection[edit]

Inflection of zelfzeker
uninflected zelfzeker
inflected zelfzekere
comparative zelfzekerder
positive comparative superlative
predicative/adverbial zelfzeker zelfzekerder het zelfzekerst
het zelfzekerste
indefinite m./f. sing. zelfzekere zelfzekerdere zelfzekerste
n. sing. zelfzeker zelfzekerder zelfzekerste
plural zelfzekere zelfzekerdere zelfzekerste
definite zelfzekere zelfzekerdere zelfzekerste
partitive zelfzekers zelfzekerders