zwak

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Adjective[edit]

zwak ‎(comparative zwakker, superlative zwakst)

  1. weak
  2. shabby

Inflection[edit]

Inflection of zwak
uninflected zwak
inflected zwakke
comparative zwakker
positive comparative superlative
predicative/adverbial zwak zwakker het zwakst
het zwakste
indefinite m./f. sing. zwakke zwakkere zwakste
n. sing. zwak zwakker zwakste
plural zwakke zwakkere zwakste
definite zwakke zwakkere zwakste
partitive zwaks zwakkers

Antonyms[edit]

Derived terms[edit]

Noun[edit]

zwak n ‎(uncountable)

  1. soft spot
  2. weakness