aanbakken

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

aan- +‎ bakken

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

aanbakken (past singular bakte aan, past participle aangebakken)

  1. (intransitive, of food) to burn to the pan

Conjugation[edit]

Inflection of aanbakken (weak with strong past participle, separable)
infinitive aanbakken
past singular bakte aan
past participle aangebakken
infinitive aanbakken
gerund aanbakken n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular bak aan bakte aan aanbak aanbakte
2nd person sing. (jij) bakt aan bakte aan aanbakt aanbakte
2nd person sing. (u) bakt aan bakte aan aanbakt aanbakte
2nd person sing. (gij) bakt aan bakte aan aanbakt aanbakte
3rd person singular bakt aan bakte aan aanbakt aanbakte
plural bakken aan bakten aan aanbakken aanbakten
subjunctive sing.1 bakke aan bakte aan aanbakke aanbakte
subjunctive plur.1 bakken aan bakten aan aanbakken aanbakten
imperative sing. bak aan
imperative plur.1 bakt aan
participles aanbakkend aangebakken
1) Archaic.

Anagrams[edit]