aanmoedigen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From aan +‎ moedig +‎ -en.

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

aanmoedigen

  1. (transitive) to encourage

Inflection[edit]

Inflection of aanmoedigen (weak, separable)
infinitive aanmoedigen
past singular moedigde aan
past participle aangemoedigd
infinitive aanmoedigen
gerund aanmoedigen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular moedig aan moedigde aan aanmoedig aanmoedigde
2nd person sing. (jij) moedigt aan moedigde aan aanmoedigt aanmoedigde
2nd person sing. (u) moedigt aan moedigde aan aanmoedigt aanmoedigde
2nd person sing. (gij) moedigt aan moedigde aan aanmoedigt aanmoedigde
3rd person singular moedigt aan moedigde aan aanmoedigt aanmoedigde
plural moedigen aan moedigden aan aanmoedigen aanmoedigden
subjunctive sing.1 moedige aan moedigde aan aanmoedige aanmoedigde
subjunctive plur.1 moedigen aan moedigden aan aanmoedigen aanmoedigden
imperative sing. moedig aan
imperative plur.1 moedigt aan
participles aanmoedigend aangemoedigd
1) Archaic.

Anagrams[edit]