aanpassen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From aan +‎ passen.

Verb[edit]

aanpassen

  1. (transitive) to adjust, adapt
  2. (transitive) to fit, try on

Inflection[edit]

Inflection of aanpassen (weak, separable)
infinitive aanpassen
past singular paste aan
past participle aangepast
infinitive aanpassen
gerund aanpassen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular pas aan paste aan aanpas aanpaste
2nd person sing. (jij) past aan paste aan aanpast aanpaste
2nd person sing. (u) past aan paste aan aanpast aanpaste
2nd person sing. (gij) past aan paste aan aanpast aanpaste
3rd person singular past aan paste aan aanpast aanpaste
plural passen aan pasten aan aanpassen aanpasten
subjunctive sing.1 passe aan paste aan aanpasse aanpaste
subjunctive plur.1 passen aan pasten aan aanpassen aanpasten
imperative sing. pas aan
imperative plur.1 past aan
participles aanpassend aangepast
1) Archaic.

Derived terms[edit]

Anagrams[edit]