afmaken

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

afmaken (past singular maakte af, past participle afgemaakt)

  1. To finish.
    Het project afmaken. — To finish the project.
  2. To kill; to finish off.
    Maak 'm af! — Kill him!

Conjugation[edit]

Inflection of afmaken (weak, separable)
infinitive afmaken
past singular maakte af
past participle afgemaakt
infinitive afmaken
gerund afmaken n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular maak af maakte af afmaak afmaakte
2nd person sing. (jij) maakt af maakte af afmaakt afmaakte
2nd person sing. (u) maakt af maakte af afmaakt afmaakte
2nd person sing. (gij) maakt af maakte af afmaakt afmaakte
3rd person singular maakt af maakte af afmaakt afmaakte
plural maken af maakten af afmaken afmaakten
subjunctive sing.1 make af maakte af afmake afmaakte
subjunctive plur.1 maken af maakten af afmaken afmaakten
imperative sing. maak af
imperative plur.1 maakt af
participles afmakend afgemaakt
1) Archaic.

Related terms[edit]

Anagrams[edit]