afstuderen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From af (completely, to the end) + studeren (to study).

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

afstuderen (past singular studeerde af, past participle afgestudeerd)

  1. (intransitive) To graduate: successfully complete one's studies

Derived terms[edit]

Conjugation[edit]

Inflection of afstuderen (weak, separable)
infinitive afstuderen
past singular studeerde af
past participle afgestudeerd
infinitive afstuderen
gerund afstuderen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular studeer af studeerde af afstudeer afstudeerde
2nd person sing. (jij) studeert af studeerde af afstudeert afstudeerde
2nd person sing. (u) studeert af studeerde af afstudeert afstudeerde
2nd person sing. (gij) studeert af studeerde af afstudeert afstudeerde
3rd person singular studeert af studeerde af afstudeert afstudeerde
plural studeren af studeerden af afstuderen afstudeerden
subjunctive sing.1 studere af studeerde af afstudere afstudeerde
subjunctive plur.1 studeren af studeerden af afstuderen afstudeerden
imperative sing. studeer af
imperative plur.1 studeert af
participles afstuderend afgestudeerd
1) Archaic.

See also[edit]

Anagrams[edit]