beheren

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From be- +‎ heer, analogous to English to lord over.

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

beheren (past singular beheerde, past participle beheerd)

  1. to manage, administer

Conjugation[edit]

Inflection of beheren (weak, prefixed)
infinitive beheren
past singular beheerde
past participle beheerd
infinitive beheren
gerund beheren n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular beheer beheerde
2nd person sing. (jij) beheert beheerde
2nd person sing. (u) beheert beheerde
2nd person sing. (gij) beheert beheerde
3rd person singular beheert beheerde
plural beheren beheerden
subjunctive sing.1 behere beheerde
subjunctive plur.1 beheren beheerden
imperative sing. beheer
imperative plur.1 beheert
participles beherend beheerd
1) Archaic.

Related terms[edit]