bevoordelen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From be- +‎ voordeel +‎ -en.

Verb[edit]

bevoordelen

  1. to favour/favor

Inflection[edit]

Inflection of bevoordelen (weak, prefixed)
infinitive bevoordelen
past singular bevoordeelde
past participle bevoordeeld
infinitive bevoordelen
gerund bevoordelen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular bevoordeel bevoordeelde
2nd person sing. (jij) bevoordeelt bevoordeelde
2nd person sing. (u) bevoordeelt bevoordeelde
2nd person sing. (gij) bevoordeelt bevoordeelde
3rd person singular bevoordeelt bevoordeelde
plural bevoordelen bevoordeelden
subjunctive sing.1 bevoordele bevoordeelde
subjunctive plur.1 bevoordelen bevoordeelden
imperative sing. bevoordeel
imperative plur.1 bevoordeelt
participles bevoordelend bevoordeeld
1) Archaic.

Anagrams[edit]