bijstaan

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From Middle Dutch bistaen. Equivalent to bij +‎ staan.

Verb[edit]

bijstaan

  1. (transitive) to assist

Inflection[edit]

Inflection of bijstaan (strong class 6, irregular, separable)
infinitive bijstaan
past singular stond bij
past participle bijgestaan
infinitive bijstaan
gerund bijstaan n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular sta bij stond bij bijsta bijstond
2nd person sing. (jij) staat bij stond bij bijstaat bijstond
2nd person sing. (u) staat bij stond bij bijstaat bijstond
2nd person sing. (gij) staat bij stondt bij bijstaat bijstondt
3rd person singular staat bij stond bij bijstaat bijstond
plural staan bij stonden bij bijstaan bijstonden
subjunctive sing.1 sta bij stonde bij bijsta bijstonde
subjunctive plur.1 staan bij stonden bij bijstaan bijstonden
imperative sing. sta bij
imperative plur.1 staat bij
participles bijstaand bijgestaan
1) Archaic.

Related terms[edit]

Anagrams[edit]