duurzaam

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From duren +‎ -zaam.

Pronunciation[edit]

Adjective[edit]

duurzaam (comparative duurzamer, superlative duurzaamst)

  1. durable
  2. sustainable

Declension[edit]

Inflection of duurzaam
uninflected duurzaam
inflected duurzame
comparative duurzamer
positive comparative superlative
predicative/adverbial duurzaam duurzamer het duurzaamst
het duurzaamste
indefinite m./f. sing. duurzame duurzamere duurzaamste
n. sing. duurzaam duurzamer duurzaamste
plural duurzame duurzamere duurzaamste
definite duurzame duurzamere duurzaamste
partitive duurzaams duurzamers