eigenwijs

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to navigation Jump to search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From Middle Dutch eigenwijs, probably from Middle Low German eigenwīs.

Pronunciation[edit]

  • IPA(key): /ɛi̯ɣə(n)ˈʋɛi̯s/
  • (file)

Adjective[edit]

eigenwijs (comparative eigenwijzer, superlative meest eigenwijs or eigenwijst)

  1. stubborn, headstrong

Inflection[edit]

Inflection of eigenwijs
uninflected eigenwijs
inflected eigenwijze
comparative eigenwijzer
positive comparative superlative
predicative/adverbial eigenwijs eigenwijzer het eigenwijst
het eigenwijste
indefinite m./f. sing. eigenwijze eigenwijzere eigenwijste
n. sing. eigenwijs eigenwijzer eigenwijste
plural eigenwijze eigenwijzere eigenwijste
definite eigenwijze eigenwijzere eigenwijste
partitive eigenwijs eigenwijzers

Synonyms[edit]